Vooral gewas, het weer en spuitvolume bepalen effect van bespuiting

Vooral gewas, het weer en spuitvolume bepalen effect van bespuiting

Het spuitvolume, de gewasstand en vochtigheid bepalen veel meer het effect van een bespuiting dan de gebruikte spuittechniek of de doppen. Dat blijkt uit een onderzoek van LDS-bespuitingen door BO Akkerbouw en Delphy op proefveldblokken in het Flevolandse Lelystad en Swifterbant. In het onderzoek werden voor het effect van bespuitingen geen verschillen geconstateerd tussen driftreducerende en andere doppen.

Door het Activiteitenbesluit milieubeheer moeten alle bespuitingen worden uitgevoerd met minimaal 75% driftreductie. Meerdere middelen kregen daardoor extra etiketeisen en moeten daarom met een driftreductie worden gespoten van 95 tot 99 procent.

Dat is niet eenvoudig, want daarvoor moet onder een relatief lagere druk (LDS) met de driftarme doppen worden gespoten en dat geeft nu juist grove druppels. Gevolg kan zijn dat daarbij juist kleine onkruiden en stengels niet worden geraakt en het effect van een bespuiting dus kleiner is. Gevolg: de onkruiden die bij de eerste bespuiting niet goed zijn geraakt, zijn later te groot geworden en dus onvoldoende te bestrijden bij de volgende LDS-bespuitingen.

Suikerbieten en aardappelen

Alle reden voor Brancheorganisatie (BO) Akkerbouw om te onderzoeken wat het effect is van de verschillende technieken. Dit onderzoek liet de organisatie in 2020 en 2021 uitvoeren bij LDS-onkruidbestrijding in suikerbieten en loofdoding in aardappelen. Daarbij zijn ook metingen verricht met watergevoelig papier en blacklights op fluorescerende stof in de spuitvloeistof naar de bedekking en indringing.

In 2020 werd deze proef op vijftig proefveldblokken bij Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO) in het Flevolandse Lelystad gedaan en in 2021 nog eens herhaald op 36 blokken van een proefveld in het Flevolandse Swifterbant.

-> Tekst loopt door onder de afbeelding

Spuitbeeldvergelijking met watergevoelig papier

Drie doptypen

In 2021 zijn de metingen uitgevoerd met drie verschillende doptypen – Agrotop Airmix, Lechler ID3 Pom en Hypro ULD – van verschillende grootte. Elk met drie verschillende spuitvolumes van 200, 275 en 350 liter. De Airmix 110-03 is ter referentie gebruikt voor een laag spuitvolume met fijnere druppels, maar is daarin wettelijk niet toegestaan.

Bovendien is er gewerkt met de technieken sleepdoek, Wingssprayer, Wave, traditioneel met een verlaagde boomhoogte met 25 centimeter dopafstand en met een luchtondersteunde spuit.

Conclusie: ‘Het gewas, het weer en het spuitvloeistofvolume bepalen veel meer dan de doptechniek’, zegt onderzoeker Herman Krebbers van Delphy. Of je bij schraal droog weer met een lage relatieve luchtvochtigheid spuit of ‘s ochtends in de dauw scheelt een enorme hoeveelheid water en dus effectiviteit.’ Ook blijkt er geen relatie tussen de onderzochte driftarme doppen en technieken en de effectiviteit van de bespuitingen, weet de onderzoeker.

Druppeltjes verdampten snel

In 2020 zijn de metingen uitgevoerd bij 25 verschillende doppen en driftarme technieken in vijf LDS-bespuitingen op suikerbieten. De temperatuur was vaak hoog en de relatieve luchtvochtigheid laag. Daardoor waren de onkruiden afgehard, terwijl de kleine spuitdruppeltjes ook nog snel verdampten.

Onder deze spuitomstandigheden lijkt een spuitvolume van minimaal 250 liter per hectare effect te hebben. Alleen de zeer grove druppels van de Lechler PRE 130-05-dop bleken amper effectief. Bij een conventioneel systeem met verschillende driftarme doppen werd gemiddeld tussen de driftreductieklassen 75 procent, 90 procent en 95 procent geen verschil in effect gezien.

350 liter per hectare

Ook bij het spuiten op breedbladige onkruiden telt vooral het spuitvolume. Het spuitbeeld en de bedekking waren op breedbladige onkruiden met 350 liter per hectare duidelijk beter dan bij 200 en 275 liter per hectare. Tussen de spuitdoppen en technieken zat amper verschil in bedekking bij eenzelfde spuitvolume, gemeten met watergevoelig papier. Bij de doseringen van 275 en 350 liter water hadden alle drie de doptypen genoeg effect op breedbladigen.

De fijnere druppel met 200 liter van de Airmix 120-03 werkte duidelijk minder goed dan de andere doppen en hogere spuitvolumes. Dat kwam door de weersomstandigheden en de afharding van de onkruiden en bladrammenas.

250 liter per hectare

Voor voldoende effect op klein onkruid bij LDS-bieten moeten de druppels dus klein genoeg zijn, zodat alle kleine onkruiden worden bedekt. Daarvoor is voldoende spuitvolume nodig: 250 liter per hectare bij normaal droog weer en gewas.

Krebbers: ‘Voor een goede indringing en bedekking in een hoog en dicht gewas en voor middelen met de eis van driftreductie van meer dan 90 procent zijn de genoemde alternatieve extra driftarme technieken zeker aan te raden. Kleine druppels geven minder risico en een goed resultaat.’ Bij een steile bladstand zijn de eisen van bedekking nog belangrijker.

Loofdoding

In loofdoding maakten de gebruikte spuitsystemen ook amper het verschil. Een hoger spuitvolume werkt duidelijk beter bij alle technieken, zowel in de mate van afsterving van blad en stengel als in de snelheid daarvan. Zo is 200 liter vaak onvoldoende, 400 liter blijkt matig en 600 liter werkt goed.

Bij lage spuitvolumes van 200 liter is de afsterving van stengels bij de Wingssprayer duidelijk beter dan bij de conventionele technieken. Bij een spuitvolume hoger dan 200 liter per hectare is de afsterving sneller en komen de knollen ook sneller los van het loof.

Bron: nieuweoogst.nl/nieuws/2022/02/22/gewas-weer-en-spuitvolume-bepalen-vooral-effect-van-bespuiting